Ik las het boek Christenreis van John Buyan, naverteld voor kinderen door J. de Jager. Ik kreeg het te leen van een vriendin. Het verhaal gaat over Christen die woont in de stad Verderf. Op een dag vindt hij op zolder een boek waarin staat dat de stad vernietigd zal worden. Christen schrikt en slaat op de vlucht. Op zijn rug heeft hij een zwaar pak. Op zijn reis ontmoet hij als eerste Evangelist die hem verteld over de nauwe poort waar hij doorheen kan gaan als hij het paradijs zoekt. Onderweg ontmoet hij vele personen en maakt hij veel dingen mee die hem verleiden van het rechte pad af te dwalen. Pas als hij onder het kruis van Jezus staat, kan hij zijn zware last achter zich laten. Echter is de reis daarmee nog niet aan het einde gekomen. Hij zet door en tegen het einde van de reis, als hij al samen reist met Hopende, dwaalt hij toch van de goede weg af en wordt hij gevangengenomen door reus Wanhoop op het Kasteel Twijfel. De vrouw van de reus, Ongeloof, maakt dat Wanhoop Christen en Hopende flink martelt. Ze daagt de gevangenen uit om zelfmoord te plegen. Uiteindelijk weten Christen en Hopende te ontsnappen omdat Christen zich realiseert dat hij zelf de sleutels in zijn zak heeft. Bij elk hoofdstuk staat een korte uitleg van hoe de tekst geïnterpreteerd kan worden. (moet worden?) De uitleg bij dit hoofdstuk kwam goed bij mij binnen:
Door zijn eigen schuld zijn Christen en Hopende in deze ellendige toestand gekomen. Zij zijn van de goede weg gegaan. Nu beschrijft Bunyan dat zij zó moedeloos zijn geworden dat zij de wanhoop nabij zijn. Wanhoop is een vreselijke toestand; bijna niemand kan je daaruit verlossen. Daarom stelt Bunyan wanhoop voor als een reus, die hen vreselijk slaat, zodat zij helemaal geen moed meer hebben. En het ongeloof maakt het steeds erger. Wat bedoelt Bunyan nu? Gods kinderen kunnen door hun eigen schuld zó in het donker komen, dat zij vrezen dat het nooit meer licht wordt. Het ongeloof zegt dan in hun hart: “de Heere heeft u verlaten- er komt niets meer van terecht.” Dan worden ze moedeloos, steeds moedelozer, ja komen zelfs nabij de wanhoop. Dan zegt de duivel in hun hart wel: “Maak er maar een eind aan”. Ja, zo ver kan het gaan, dat een kind van God zelfs verzocht wordt tot zelfmoord. We zullen horen dat de Heere, hoe donker het ook wordt, Zijn kinderen toch niet loslaat. *einde citaat*
Mmmm, dacht ik toen, dat is waar ik ben. Ik zit in de kerker van Kasteel Twijfel en wordt door reus Wanhoop geslagen in opdracht van zijn vrouw Ongeloof. Misschien heb ik ook wel zelf de sleutels van de gevangenis op zak? Tenslotte ben ik ook een kind van God, een volgeling van Christus.

Een stukje verder terug in het boek stond bij de uitleg ook nog iets over trouw naar de kerk gaan en hoe Hij Zijn volk altijd uit de nood helpt. Denk maar eens, hoe Petrus door een engel uit de gevangenis werd gehaald.
In die tijd nam koning Herodes een aantal mensen uit de gemeente gevangen. Hij liet Jakobus, de broer van Johannes, onthoofden. Hij zag dat hij de Joden daarmee een plezier deed. Daarom nam hij ook Petrus gevangen. Dat gebeurde tijdens het Feest van de Ongegiste Broden. Hij liet hem in de gevangenis zetten. Vier groepjes van vier soldaten moesten hem bewaken. Hij was van plan om hem na het feest in het openbaar ter dood te veroordelen. Terwijl Petrus in de gevangenis zat, bleef de gemeente aldoor voor hem bidden. De nacht vóórdat Herodes over hem zou rechtspreken, lag Petrus tussen twee soldaten te slapen. Hij was met twee ijzeren kettingen geboeid. Voor de deur van de gevangenis stonden bewakers op wacht. Plotseling scheen er licht in de kerker. Er stond een engel van de Heer bij hem. Hij stootte Petrus in zijn zij om hem wakker te maken. Hij zei tegen hem: “Sta snel op!” De boeien vielen van Petrus’ handen. En de engel zei tegen hem: “Doe je riem om en trek je sandalen aan.” Dat deed Petrus. Toen zei de engel: “Sla je mantel om en volg mij.” Petrus volgde de engel naar buiten. Hij wist niet dat het allemaal echt gebeurde, maar hij dacht dat hij droomde. Ze liepen langs de eerste en de tweede wachtpost. Daarna kwamen ze bij de ijzeren poort die op de straat uitkwam. De poort ging vanzelf voor hen open. Ze gingen naar buiten en liepen samen één straat ver. Toen was de engel plotseling verdwenen. Petrus begreep intussen wat er was gebeurd. Hij zei: “De Heer heeft een engel gestuurd om mij te bevrijden! Hij heeft me gered uit de handen van Herodes en uit alles wat de Joden verwachtten dat er met mij zou gebeuren!” Handelingen 12, 1-11
Dus besloot ik naar de kerk te gaan. Iets wat ik eigenlijk alleen doe als ik orgel mag spelen. Ik was van plan naar de hervormde kerkdienst te gaan, die is lekker vroeg maar ik las dat er een eucharistieviering was in het dorp hier verderop die ook om half tien zou beginnen. De beste man van de wereld (die van mij namelijk ❤ ) was meteen voor en vanochtend zijn we dus naar de mis geweest. Het was heel fijn. Klein kerkje, prachtig orgel, geen onverdienstelijk organist en een zestal oude dames die de voorzang deden. Twee daarvan zitten bij mij op de gebedsgroep en kwamen me na afloop bedanken voor het ondersteunen van de zang. De priester had een mooi verhaal over zout en licht naar aanleiding van de lezing van vandaag:
Jezus zei tegen zijn leerlingen: “Jullie zijn het zout voor de wereld. Maar als het zout niet meer zout is, waarmee kun je het dan nog zout maken? Het is nergens meer voor te gebruiken. Je kan het alleen nog maar weggooien. Het wordt vertrapt door de mensen. Jullie zijn het licht voor de wereld. Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. En als je een olielamp aansteekt, zet je er daarna geen emmer overheen. Nee, je zet hem hoog neer, zodat iedereen in huis licht heeft. Laat op dezelfde manier jullie licht schijnen voor de mensen. Laat hun de goede dingen zien die jullie doen. Dan zullen ze jullie hemelse Vader ervoor prijzen.” Mat. 5, 13-16
Zout, zei de priester, geeft smaak maar alleen als het oplost. Als zout niet oplost, proef je een korrel zout maar het gerecht smaakt flauw. Als je zout wilt zijn voor de wereld moet je oplossen. Ik vond het wel een mooi beeld. Ook zei hij: licht schijnt altijd ergens anders naar toe. Als het donker is en ik wil jullie de deur wijzen, dan schijn ik een licht op de deur. Niet naar het licht moeten jullie gaan, maar naar de deur. Het licht wijst de weg. Natuurlijk was de boodschap dat nederigheid een goede eigenschap is, iets om naar te streven. Nederigheid in de zin van je plaats weten, niet in de zin van dat je je minder voordoet dan je bent. Op je allerbest het allerbescheidenst blijven, zoiets 😀
Ik was vandaag eigenlijk begonnen met schrijven omdat ik mijn vorige blogje zo negatief vond toen ik het nalas. Het gaat namelijk helemaal niet zo slecht met mij! Tenminste … het gaat een stuk beter dan pak-m-beet een jaar geleden. Af en toe heb ik gewoon nog van die valpartijen, dankzij de zwaartekracht die de maatschappij tegenwoordig voor mij is. Zit ik weer even in de kerker van Kasteel Twijfel, gevangengenomen door de reus Wanhoop en zijn vrouw Ongeloof. Maar dan psalmdrieëntwintig ik mezelf weer naar de oppervlakte. Met behulp van de barmhartige God natuurlijk! Want Hij laat nooit varen het werk van Zijn Handen!

Zaterdagochtend was ik even met mijn oudste zus in de tweedehandswinkel, op zoek naar oude Bijbels voor onze Bible Journaling Club. En ik geloof niet in toeval, maar ik vond daar een klein exemplaar van de Christenreis van John Bunyan in een oude vertaling voor 50 cent. Die heb ik natuurlijk niet laten liggen! Nu ik de navertelling ervan voor kinderen uit heb en terug moet geven, ga ik de originele versie lezen. Eens kijken of ik het zonder uitleg ook kan begrijpen. Overigens heb ik ook twee jurken gevonden en mijn zus vond ook nog een jurk voor mij en aangezien Moos, onze nieuwe hond, met zijn puppyscherpe tandjes mijn lievelingsjurk had gescheurd, ben ik daar erg blij mee.
Vanochtend kwam ik weer opnieuw tot inzicht dat het niet zo vreselijk veel uitmaakt hóe je God vindt, als je Hem maar zoekt. En wie zoekt, zal vinden! Jezus zei tegen zijn leerlingen: “Bid, want dan zul je krijgen. Zoek, want dan zul je vinden. Klop, want dan zal er voor je worden opengedaan. Want iedereen die bidt, zal krijgen. En iedereen die zoekt, zal vinden. En voor iedereen die klopt, zal worden opengedaan. Als je zoon je om brood vraagt, geef je hem toch geen steen? En als hij om een vis vraagt, geef je hem toch geen slang? Dus ook al zijn jullie slecht, toch kunnen jullie goede dingen aan jullie kinderen geven. Dan zal jullie hemelse Vader toch zéker goede dingen geven als mensen Hem daarom bidden? Mat.7, 7-11
